Urologie maatschap, Route 34
TURT, verwijderen van een blaastumor via de plasbuis

Inleiding
Uit onderzoek is gebleken dat u een tumor in de blaas heeft. Uw uroloog heeft met u besproken dat de tumor moet worden verwijderd. Een blaastumor kan groter worden, bloedingen veroorzaken en in de spierwand ingroeien. Daarom moet een blaastumor altijd worden verwijderd.
Blaastumoren worden onderverdeeld in:
- Oppervlakkig groeiende tumoren die niet ingroeien in de spierwand.
- ‘Invasief' groeiende tumoren die wel tot in de spierwand ingroeien.
Bij de operatie via de plasbuis kunnen beide soorten tumoren worden verwijderd.
In het eerste geval is de operatie een afdoende behandeling. Bij invasief groeiende tumoren is na de operatie nog verdere behandeling nodig. Bijvoorbeeld nog een operatie of een bestralingskuur. Het weggenomen weefsel wordt microscopisch onderzocht.
Voorbereiding
Gebruikt u bloedverdunnende medicijnen? Meld dat dan tevoren aan uw uroloog. In overleg met de uroloog moet u het gebruik van deze medicijnen geruime tijd voor de operatie stoppen.
Soms wordt de schaamstreek geschoren.
De operatie
Voor de operatie gaat u onder algehele narcose of u krijgt plaatselijke verdoving. Bij een plaatselijke verdoving krijgt u een ruggenprik. U ligt op de rug met uw benen opgetrokken in beensteunen. De uroloog brengt een hol buisje via de plasbuis tot in de blaas. Door dat buisje schuift hij een instrumentje naar de blaas. De uroloog schraapt de tumor laag voor laag af tot in het gezonde weefsel. Er ontstaat dus een inwendige wond in de blaas. De blaas wordt voortdurend ontplooid met een spoelvloeistof. Tussendoor wordt de blaas steeds geleegd waarbij de losgemaakte deeltjes van de tumor mee naar buiten komen. Nadat de tumor is verwijderd wordt de blaas nogmaals goed gespoeld. In de blaas blijft een dun slangetje achter omdat de urine na de operatie meestal bloederig is.
Na de operatie
Het slangetje blijft in de blaas om de urine goed af te voeren en om de blaas te kunnen spoelen als dit nodig is. Bijvoorbeeld als er stolsels zijn. De urine is meestal rood gekleurd. Zodra de urine helder is, kan het slangetje worden verwijderd. Meestal is dat één tot twee dagen na de operatie. Als het plassen hierna goed op gang is gekomen, kunt u het ziekenhuis verlaten.
Enkele adviezen
· U kunt u het beste veel drinken om te voorkomen dat er stolsels ontstaan.
· Verricht de eerste tijd na de operatie niet te veel lichamelijke arbeid.
· Vermijd te veel persen bij ontlasting. Eventueel kan de ontlasting met medicijnen zachter worden gemaakt.
Controle
Volgens afspraak komt u op controle bij uw uroloog. Deze geeft u de uitslag van het microscopisch onderzoek van het verwijderde weefsel. Daarnaast bespreekt de uroloog met u of nader onderzoek en/of behandeling nodig is. In ieder geval blijft u onder controle omdat blaastumoren de neiging hebben terug te keren.
Klachten
Na de operatie treden vaak blaaskrampen op en kunt u een schrijnend gevoel hebben in de plasbuis. U heeft bij het plassen vaak meer aandrang. Ook moet u waarschijnlijk vaker naar het toilet. Dit duurt enkele weken. De urine kan soms nog bloederig zijn. Dat is niet verontrustend.
Neem contact op met uw uroloog als:
- U duidelijk bloedstolsels plast.
- Het bloedverlies niet vermindert.
- U koorts boven de 38,5 °C krijgt.
- Ernstige brandende pijn heeft tijdens het plassen.
- U niet meer kunt plassen.
Risico's en mogelijke complicaties
Bij deze operatie kunnen er complicaties ontstaan, zoals:
- Een gaatje in de blaas. Dit hangt samen met de grootte en plaats van de tumor. De spoelvloeistof die tijdens de operatie wordt gebruikt kan buiten de blaas komen. De uroloog stopt dan met de operatie om verdere lekkage te voorkomen. Een klein gaatje in de blaaswand geneest vanzelf. Bij een groter gat is soms een openbuik operatie nodig om het weggelekte vocht te verwijderen en het gat te sluiten. Deze complicatie is zeldzaam.
- Na de operatie kan een blaasbloeding optreden waarbij u mogelijk bloed verliest en er stolsels ontstaan. Meestal stopt zo'n bloeding spontaan na het toedienen van spoelvloeistof via het slangetje. Soms is het nodig de blaas opnieuw te spoelen. Dit gebeurt onder narcose.
- Een urineweginfectie met koorts. Meestal helpt antibiotica. Weken na de operatie kan nog een ontsteking optreden. Bij mannen uit die zich soms uit als een bijbalontsteking.
- Bij mannen kan er langere tijd na de operatie een vernauwing van de plasbuis ontstaan.Soms is hiervoor een nieuwe operatie nodig.
Wat te doen bij complicaties
Krijgt u de eerste veertien dagen na de operatie problemen die te maken hebben met de operatie? Neem dan contact op met het ziekenhuis:
- Op maandag tot en met vrijdag tussen 08.00 en 17.00 uur belt u met de polikliniek Urologie,
tel. (0165) 58 85 57. - Buiten deze tijden belt u met de afdeling Spoedeisende Hulp: (0165) 58 88 89.
Vragen
Heeft u nog vragen? Stel ze gerust aan uw uroloog.







