Diabetesverpleegkundigen
Diabetes, informatie

Inleiding
Wat is diabetes nou precies? Waarom is soms behandeling met een dieet mogelijk en soms met tabletten of insuline? De informatie hieronder geeft u wellicht een houvast als u net te horen heeft gekregen dat u diabetes heeft. Uiteraard kan uw arts u het beste informeren over deze ziekte en de behandeling.
In het Franciscus Ziekenhuis werken verpleegkundigen die in diabetes zijn gespecialiseerd, zogenaamde "diabetesverpleegkundigen". Zij leren u bijvoorbeeld omgaan met insulinepennen en bloedglucosemeters. Daarnaast kunnen diëtisten u over voeding bij diabetes vertellen.
Wat is diabetes?
Diabetes ("doorloop") Mellitus ("zoet als honing") is een verstoring van de glucosestofwisseling in het lichaam. Als de alvleesklier onvoldoende of helemaal niet meer werkt neemt het lichaam te weinig of geen glucose op. De glucose verlaat het lichaam via de urine en wordt niet gebruikt als voedingsstof voor lichaamscellen. Diabetes is een chronische ziekte. Iedereen kan diabetes krijgen. Als diabetes voorkomt in de familie is de kans erop groter. Diabetes is geen besmettelijke ziekte.
a. Spijsvertering
We eten om ons lichaam van brandstof te voorzien. Brandstof is voortdurend nodig. Via de darmen wordt het verteerde voedsel in het bloed opgenomen en de cellen in het lichaam krijgen brandstof. De verbranding levert energie.
b. Brandstoffen
Ons dagelijkse eten en drinken bevat de volgende voedingsstoffen:
- Koolhydraten, zitten vooral in brood, pasta, aardappelen, zoetigheid, fruit en melk.
- Eiwitten.
- Vetten.

Koolhydraten leveren de meeste energie. Dat komt doordat de spijsvertering er glucose
(suiker) van maakt. Suiker is niet alleen belangrijk om snel energie te krijgen. Het zorgt
er ook voor dat hersenen en zenuwstelsel goed blijven werken. Om de glucose uit het
bloed naar de cellen te vervoeren is insuline nodig.
c. Insuline
Insuline wordt gemaakt in de alvleesklier, een orgaan dat achter de maag ligt. De alvleesklier geeft de insuline af aan het bloed zodra dat nodig is. Dat wil zeggen, wanneer er meer glucose in het bloed komt. De hoeveelheid insuline die de alvleesklier afgeeft aan het bloed, hangt af van de hoeveelheid glucose die er op dat moment in het bloed zit. Hoe meer glucose in het bloed, hoe meer insuline. Als er weinig of geen glucose in het bloed komt en het
bloedglucosegehalte is laag wordt er weinig insuline gemaakt.Er is dus steeds een evenwicht tussen glucosegehalte in het bloed en insuline. De "normale grenzen" waarbinnen een bloedglucosespiegel schommelt liggen tussen de 4 en 8 mmol/liter.
Insuline werkt als een soort sleutel. Daarmee kan de deur van een lichaamscel worden geopend. De bloedglucose kan uit het bloed naar binnen. De cel neemt de glucose op en krijgt de benodigde energie.
d. Diabetes
Bij mensen met diabetes produceert de alvleesklier onvoldoende of geen insuline. Soms maakt de alvleesklier wel voldoende insuline, maar die werkt niet goed. De lichaamscellen blijven dan gesloten voor de glucose die vervolgens werkeloos in het bloed blijft waardoor de bloedglucosespiegel stijgt. Is die bloedglucosespiegel lange tijd veel te hoog? Dan zorgt het lichaam ervoor dat de glucose toch verdwijnt. Via de nieren komt de glucose in de urine en wordt ongebruikt uitgeplast. De cellen krijgen geen brandstof. Daardoor ontstaat een tekort aan energie en treedt vermoeidheid op.
e. Kenmerken
De verschijnselen bij diabetes kunnen zijn:
- Minder eten en veel meer drinken.
- Vaak plassen.
- Gewichtsverlies (door vetverbranding).
- Moe en lusteloos.
- Minder goed gaan zien.
- Het concentratievermogen neemt af.
Heeft u hier last van? Dan is het verstandig om zo snel mogelijk de huisarts te raadplegen. Deze kan snel constateren of u diabetes heeft.
Type 1 diabetes
Bij type 1 diabetes produceert de alvleesklier geen insuline meer. De lichaamscellen kunnen de glucose uit het bloed niet opnemen. Ze hebben gebrek aan brandstof en lijden als het ware honger. De nieren filteren het bloed en houden
normaliter glucose tegen. Komt de bloedglucose echter boven de 10 mmol/liter, dan laten de nieren de glucose, samen met grote hoeveelheden water, door. Een deel van de glucose uit uw bloed plast u dus met de urine uit. Toch stijgt het glucosegehalte in het bloed tot schadelijke hoogte.
Symptomen
- Veel plassen.
- Erg veel dorst.
- Veel afvallen door vetverbranding. Daarbij ontstaan chemische stoffen in het bloed, zogenaamde ketonlichamen. De adem ruikt dan sterk naar aceton. Er kan verzuring van het bloed optreden wat vaak gepaard gaat met braken. In zo'n geval is ziekenhuisopname nodig.
- Een sterke stijging van de bloedglucosespiegel.
Type 2 diabetes
Van alle diabetespatiënten heeft ongeveer 90% type 2 diabetes. De alvleesklier maakt dan meestal nog wel insuline, maar niet genoeg. De lichaamscellen zijn vaak minder gevoelig geworden voor insuline. Daardoor kan de glucose de cel niet in. Type 2 diabetes wordt vaak met een dieet, al dan niet in combinatie met tabletten die de bloedglucose verlagen, behandeld. Soms is insulinetherapie nodig.
Symptomen
De symptomen zijn veel minder uitgesproken dan bij type 1 diabetes:
- Meer drinken en plassen.
- Vaak fors overgewicht in plaats van gewichtsverlies. Afvallen en effectief bewegen kan de ongevoeligheid voor insuline verminderen en de bloedglucosewaarden kunnen daardoor verbeteren.
- Moe en lusteloos.
Deze symptomen worden dikwijls ten onrechte aan de ouderdom toegeschreven waardoor type 2 diabetes vaak pas na jaren, bij toeval, wordt ontdekt.
Hypoglykemie (Hypo = bloedglucose onder de 3,5 mmol/l)
Symptomen:
- Wisselend humeur.
- Hoofdpijn.
- Bleekheid.
- Moeheid.
- Zweten.
- Honger.
- Slechtzien.
- Duizeligheid.
- Beven.
Oorzaken
- Te hoge insulinedosis.
- Te weinig gegeten of te lang gewacht met eten.
- Te grote inspanning, verhoogde lichaamsbeweging.
- Alcohol/medicatie.
- Soms onverklaarbaar.
Wat te doen?
- Controleer de glucosewaarde en neem drie tot vijf dextro's.
- Zijn de klachten na twintig minuten niet over? Meet dan de bloedglucose. Is die nog onder de vier? Neem dan nogmaals drie tot vijf dextro's.
- Duurt het langer dan 1½ uur tot uw volgende maaltijd? Neem dan nog iets extra's met
± 7 gr. koolhydraten, bijvoorbeeld een speculaasje of een volkoren biscuitje. - Krijgt u de hypo 's nachts of voor het slapen gaan? Eet dan nog iets met ± 15 gram koolhydraten. Bijvoorbeeld een plakje ontbijtkoek, een appel, boterham met hartig beleg of liga.
- Heeft u een hypo als gevolg van een grotere lichamelijke activiteit? Eet dan naast de dextro's ±7 gram koolhydraten. Dat is bijvoorbeeld één volkoren biscuitje of twee maria biscuitjes of een glas melk of yoghurt).
Belangrijk
Raadpleeg uw diabetesverpleegkundige of arts als u:
- Meerdere hypo's heeft in een week.
- Telkens op hetzelfde tijdstip in de week hypo's heeft.
- Nachtelijke hypo's heeft.
Hyperglykemie (Hyper = bloedglucose boven de 10 mmol/l).
Symptomen
- Moeheid.
- Slaperigheid.
- Droge tong.
- Vaak plassen.
- Dorst.
Oorzaken
- Te lage insulinedosis.
- Injectie vergeten.
- Te veel gegeten (suikers).
- Ziekte (infectie/koorts).
- Emotie of stress.
- Minder lichaamsbeweging.
- Medicijnen (bijvoorbeeld prednison).
Wat te doen?
- Controleer de glucosewaarde.
- Drink voldoende (water/thee/koffie zonder suiker).
- Volg de adviezen van uw arts of diabetesverpleegkundige op.
Belangrijk
Raadpleeg uw diabetesverpleegkundige of arts als u hoge bloedsuikers heeft en moet braken.
Behandeling
a. Voldoende bewegen
Bewegen bevordert de conditie van hart en bloedvaten, houdt spieren en bloedvaten soepel en de bloeddruk op peil. Door te bewegen werkt insuline beter en daalt de bloedglucose. Voldoende redenen dus om te bewegen. Minimaal een half uur per dag. Dat kan door te sporten, maar ook wandelen, fietsen, stofzuigen, auto wassen, traplopen of ramen lappen zijn vormen van bewegen.
b. Dieet
Een dieet is de basis van de behandeling. Koolhydraten (suikers), vetten en eiwitten dragen bij aan een evenwichtige voeding. Koolhydraten komen uiteindelijk als glucose in het bloed en hebben rechtstreeks invloed op de bloedglucosespiegel. Let daarom goed op de hoeveelheid koolhydraten die u eet. De behoeften zijn voor iedereen anders. Stel daarom in overleg met uw diëtiste uw dieet samen. Bij elke maaltijd stijgt de bloedglucosewaarde. Er moet dus op dat moment voldoende insuline in uw bloed aanwezig zijn om dit te compenseren.
Voor vragen over uw dieet kunt u terecht bij de afdeling Diëtetiek. Die afdeling heeft telefonisch spreekuur op iedere werkdag van 13.00 uur tot 13.30 uur op tel. (0165) 58 84 29 .
c. Tabletten
Er zijn drie soorten medicijnen die verschillend werken:
1. Stimuleert de insulineproductie van de alvleesklier en verbetert de insulinegevoeligheid.
2. Verbetert de insulinegevoeligheid.
3. Remt de opname van koolhydraten vanuit de darmen.
De behandeling verschilt per persoon en is afhankelijk van de bloedglucosewaarden en de lichamelijke gesteldheid. Heeft u vragen over uw behandeling? Neem dan contact op met uw behandelend arts. Slaat het dieet niet goed aan? Dan volgt behandeling met tabletten. Vaak wordt gestart met een combinatie van dieet en tabletten. Levert een maximale dosis geen goed resultaat? Dan is behandeling met insuline nodig.
d. Insuline
Er bestaan verschillende soorten insuline en verschillende insulinetherapieën. Uw behandelend arts bepaalt welke insulinetherapie voor u het beste is. Natuurlijk kunt u altijd met uw arts de voor- en nadelen bespreken. Er zijn verschillende systemen om insuline toe te dienen. Bespreek met uw diabetesverpleegkundige de mogelijkheden. Laat nooit tussen twee injecties door het insulinenaaldje op de pen zitten. Dit kan verandering in de samenstelling van de insuline veroorzaken, en afwijkende bloedglucosewaarden opleveren.
Spuitplaatsen
Insuline wordt toegediend in het onderhuids vet, direct onder de huidlaag. Deze is wisselend van dikte, afhankelijk van de plaats op het lichaam.
Insuline wordt over het algemeen op twee plaatsen geïnjecteerd (zie figuur):
- Buik: laat één à twee vingers rondom de navel vrij. Gebruik verder de hele vetlaag.
- Benen: (alleen bij vetlaag) boven en buitenkant van de bovenbenen. Laat een handbreedte boven de knie en onder de lies vrij.
In de buik wordt insuline sneller opgenomen dan in de benen. Overleg met uw arts of diabetesverpleegkundige wat voor u de beste injectieplaats is. U brengt het insulinenaaldje loodrecht in de huid in, zonder de huidplooi op te pakken. Ontlucht voor het opdraaien van de eenheden de pen altijd eerst met twee eenheden. Komt er geen insuline uit de naald? Ontlucht dan nogmaals. Dit om te controleren of het naaldje open is en de pen goed werkt.
Invloeden van buitenaf
- Inspanning van de spier na een injectie versnelt de insulineopname. U spant uw beenspieren in door bijvoorbeeld te fietsen.
- Verandering in temperatuur van de injectieplaats, bijvoorbeeld door een warm bad, wrijving of sauna versnelt de insulineopname.
De conditie van de insuline-spuitplaatsen
Heeft u bulten, blauwe plekken, harde schijven of kuilen op de plaats waar u insuline spuit? Dan verloopt de opname van de insuline onvoorspelbaar. Voorkom huidproblemen door volgens een rotatieschema op wisselende plaatsen te spuiten. De spuitplaatsen krijgen dan de kans te herstellen.
e. Zelfcontrole
Insuline en inspanning verlagen de bloedglucose. Door voeding stijgt de bloedglucose. Om de juiste hoeveelheid insuline toe te dienen, is inzicht in de bloedglucosewaarden nodig. Het glucosegehalte kunt u rechtstreeks vanuit het bloed bepalen met behulp van een bloedglucosemeter. De diabetesverpleegkundige leert u hoe u zelf uw bloedglucosewaarde kunt controleren. De zelf geprikte waarden noteert u in een "dagboekje" dat u bij elk bezoek aan uw arts of diabetesverpleegkundige meeneemt. Aan de hand van de genoteerde waarden wordt de dosering eventueel aangepast.
6. Complicaties
Complicaties is een verzamelnaam voor aandoeningen die het gevolg zijn van diabetes. Gelukkig krijgt niet iedere patiënt complicaties. Ook de ernst van complicaties verschilt van mens tot mens. Veel voorkomende complicaties bij diabetes zijn hart- en vaatziekten, voetproblemen, oogafwijkingen en afwijkingen aan de nieren. Uw arts of diabetesverpleegkundige kan u hierover meer vertellen.
Vragen
Heeft u nog vragen? Stel ze aan uw behandelend arts, diabetesverpleegkundige of diëtiste. Voor verdere informatie kunt u ook terecht bij de Diabetesvereniging Nederland (DVN), tel. (033) 463 05 66 of kijk op diabetesvereniging.nl.
Telefoonnummer diabetespoli: (0165) 58 86 33
Diabetesverpleegkundigen:
Ria van Gastel
Tonny Jongeneelen
Mariët Veenstra
Germaine Dorreman
Chantal Notenboom
Adriënne Mariën
Aanwezig: maandag t/m vrijdag van 8.30 uur-17.00 uur
Telefonisch spreekuur: maandag t/m vrijdag van 11.30uur - 12.30 uur
Transmuraal diabetes verpleegkundige Dian Verpaalen
tel. 06-51918029







