Anesthesiologie en pijnbehandeling

Anesthesiologie



Print deze folder

Inleiding

Binnenkort ondergaat u een operatie. Uw specialist heeft u hierover al informatie gegeven. Bij de operatie is verdoving nodig. De medische term voor verdoving is anesthesie. De anesthesioloog is de medisch specialist die de verdoving verzorgt. In deze folder krijgt u informatie over de verschillende vormen van verdoving.

Wat u zeker niet mag vergeten!

  • Nuchter zijn
    Het is belangrijk dat u tijdens de operatie 'nuchter' bent. Daarom mag u vanaf 24.00 uur in de nacht voor de operatie niets meer eten. Wordt u na 13.00 uur geopereerd? Dan mag u op de dag van de operatie vóór 08.00 uur nog ontbijten. Tot twee uur voor uw opname in het ziekenhuis mag u nog drinken. Bent u al opgenomen? Dan mag u tot drie uur voor de operatie nog drinken. Het is juist goed om voor de operatie nog te drinken. Het beste drinkt u dranken met suiker, bijvoorbeeld sportdranken.
    Toegestaan zijn koffie (zonder melk of melkpoeder), thee, frisdranken, ranja en water. Een slokje water bij het tanden poetsen of om medicijnen in te nemen mag altijd. Tijdens het POS is besproken welke medicijnen u moet stoppen en welke doorgebruiken.
    Niet toegestaan zijn melkproducten en vruchtensappen.
    Heeft u kort voor de operatie toch heeft gegeten of gedronken? Dan gaat de operatie voor uw eigen veiligheid niet door.
  • Verandering in uw gezondheid
    Is er iets veranderd in uw gezondheid tussen het Preoperatief Spreekuur (POS) en de dag van operatie? Geef dit dan zo snel mogelijk door aan de secretaresse van het POS, tel. (0165) 58 81 16. Dit is belangrijk voor het doorgaan van de operatie en de verdoving.
  • Bent u de eerste nacht alleen thuis?
    Dan moet u een nacht in het ziekenhuis blijven. U wordt dan niet in dagbehandeling geopereerd. Bespreek dit vooraf bij Bureau Planning en Opname én met de anesthesioloog.

Verschillende vormen van anesthesie

Er zijn verschillende soorten anesthesie of verdoving:

  • De algehele anesthesie of narcose. Daarbij wordt het hele lichaam verdoofd en bent u tijdelijk buiten bewustzijn.
  • Bij een regionale verdoving wordt een gedeelte van het lichaam, zoals een arm, been of het hele onderlichaam, tijdelijk gevoelloos.
  • Bij een lokale of plaatselijke verdoving maakt de specialist die u opereert alleen de plaats van de operatie gevoelloos. Hij spuit dan een verdovend middel in. Deze verdoving is vooral geschikt bij kleinere operaties. Daar is geen anesthesioloog bij. U hoeft niet nuchter te zijn.

In deze folder wordt alleen ingegaan op de algehele en regionale anesthesie. Welke vorm van anesthesie het meest voor u geschikt is, bespreekt de anesthesioloog met u tijdens het Preoperatief Spreekuur (POS).

Preoperatief Spreekuur (POS)

Tijdens het POS heeft u een gesprek met een anesthesioloog of anesthesiemedewerker. Aan het einde van het gesprek met de anesthesiemedewerker komt de anesthesioloog altijd nog langs. De verdoving die de anesthesioloog u toedient is afgestemd op uw gezondheid en conditie en de soort operatie die u ondergaat. Als het kan houdt de anesthesioloog rekening met uw wensen.

Via uw behandelend specialist heeft u een vragenlijst gekregen die u nauwkeurig en volledig in moet vullen en ondertekenen. De ingevulde vragenlijst neemt u mee naar het POS. De anesthesioloog wil van alles van u weten. Over uw gezondheid, of u allergisch bent voor bepaalde medicijnen of stoffen, welke operatie(s) u vroeger heeft ondergaan en welke medicijnen u gebruikt. Tevens onderzoekt hij u lichamelijk waarbij lengte, gewicht en bloeddruk worden gemeten en hij luistert naar uw hart en longen. Afhankelijk van uw leeftijd moet u, voordat u op het POS komt, een hartfilmpje laten maken en bloed laten prikken. Tijdens het POS beslist de anesthesioloog of er nog meer onderzoek nodig is.

De anesthesioloog bespreekt met u welke vorm van anesthesie voor u het beste is. De afspraken die u met de anesthesioloog maakt zijn een half jaar geldig. Vindt uw operatie na die periode plaats? Dan is een nieuwe afspraak voor het POS nodig. Wordt u binnen dat half jaar vaker geopereerd? Dan hoeft u niet opnieuw een afspraak voor het POS te maken. U moet wel steeds een vragenlijst invullen zodat de anesthesioloog kan beoordelen of er iets is veranderd wat betreft uw gezondheid. U kunt op de operatiekamer een andere anesthesioloog tegenkomen dan degene die u tijdens het POS heeft gesproken.

De anesthesioloog kan u geen datum geven voor de operatie. Het Bureau Planning en Opname bepaalt de datum, samen met de specialist die u opereert. Vragen over de operatie zelf en de zorg daarna kunt u met de specialist die u opereert bespreken.

Belangrijk
Is er iets veranderd in uw gezondheid tussen het POS en de dag van operatie? Geef dit dan zo snel mogelijk door aan de secretaresse van het POS, tel. (0165) 58 81 16. Dit is belangrijk voor het doorgaan van de operatie en de anesthesie.

Bent u de eerste nacht alleen thuis?
Dan moet u een nacht in het ziekenhuis blijven. Bespreek dit vooraf bij Bureau Planning en Opname én met de anesthesioloog.

De opname

Afhankelijk van de soort operatie, uw medische toestand en thuissituatie beslist de anesthesioloog samen met de specialist die u opereert op welke wijze u wordt opgenomen. Er zijn drie mogelijkheden:

  • De operatie vindt plaats in dagbehandeling.
  • U wordt op de dag van de operatie opgenomen en u moet minimaal één nacht na de operatie in het ziekenhuis blijven.
  • U wordt minimaal één dag vóór de operatie opgenomen en u moet één of meerdere nachten na de operatie in het ziekenhuis blijven.

Nuchter zijn

Om u veilig anesthesie te kunnen geven is het belangrijk dat u tijdens de operatie 'nuchter' bent. Er mag niets in uw maag zitten. De inhoud van uw maag kan dan ook niet in uw longen terecht komen. Dat zou gevaarlijk zijn. Dit betekent dat u na 24.00 uur in de nacht voor de operatie niets meer mag eten. Wordt u na 13.00 uur geopereerd? Dan mag u voor 08.00 uur ontbijten.

Tot twee uur voor uw opname in het ziekenhuis mag u nog drinken. Bent u al opgenomen? Dan mag u tot drie uur voor de operatie nog drinken. Het is juist goed om voor de operatie te drinken. Het beste drinkt u dranken waar suiker in zit, bijvoorbeeld sportdranken.

Toegestaan zijn koffie (zonder melk of melkpoeder), thee, frisdranken, ranja en water. Een slokje water bij het tanden poetsen of om medicijnen in te nemen is altijd toegestaan.
Niet toegestaan zijn melkproducten en vruchtensappen.

Tijdens het POS is besproken welke medicijnen u moet stoppen en welke doorgebruiken. Ook voor een ruggenprik en een regionale verdoving van een arm of been moet u nuchter zijn. Heeft u kort voor de operatie toch gegeten of gedronken? Dan gaat de operatie voor uw eigen veiligheid niet door.

Voorbereiding op de operatie

  • Kort voor de operatie kunt u een kalmeringstabletje krijgen als de anesthesioloog dit met u heeft afgesproken. Hierdoor voelt u zich minder zenuwachtig en gaat u enigszins ontspannen naar de operatiekamer. U kunt van dit kalmeringstabletje in slaap vallen en zich achteraf niets meer herinneren van wat er op de operatiekamer is gebeurd. De avond voor de operatie kunt u op de afdeling een slaapmiddel krijgen als dit is afgesproken.
  • Heeft u een kunstgebit? Dan moet u dit op de kamer achterlaten. Ook sieraden, contactlenzen, bril of gehoorapparaat moet u achterlaten. Kunt u zonder bril of gehoorapparaat zo slecht zien of horen dat communiceren nauwelijks mogelijk is? Dan kunt u deze het beste wel meenemen naar de operatiekamer.
  • Tongpiercings moet u verwijderen om tand- en tongbeschadigingen te voorkomen. Alleen in overleg met de anesthesioloog kan besloten worden deze te laten zitten. Overige piercings moet u verwijderen om brandwonden te voorkomen.
  • Gebruik op de dag van de operatie geen make-up en nagellak. Kunstnagels kunnen blijven zitten. Heeft u kunstnagels met een donkere kleur? Dan moet u er één verwijderen. Het gebruik van bodylotion voor de operatie is niet toegestaan. Dan is het moeilijk om de huid te desinfecteren.
  • Het beste is minimaal acht weken voor de operatie niet meer te roken. De luchtwegen van rokers zijn vaak geïrriteerd en daardoor gevoeliger voor ontstekingen. Bovendien kan hoesten na de operatie erg pijnlijk zijn en slecht voor de wondgenezing. Minder dan acht weken voor de operatie stoppen met roken geeft geen verbetering van de longen. Stop in ieder geval 24 uur van te voren met roken voor een beter zuurstoftransport.
  • Vrouwen die de anticonceptiepil slikken, kunnen deze blijven gebruiken. Na de operatie en narcose kan echter, gedurende de rest van de cyclus, niet meer gerekend worden op volledige bescherming tegen zwangerschap.
  • Op de dag van de operatie krijgt u speciale operatiekleding aan. U mag sokken aanhouden mits deze schoon zijn en niet in de buurt van het operatiegebied zitten.
  • Een verpleegkundige brengt u in uw bed naar de operatieafdeling. Daar ziet u de anesthesioloog en zijn assistent, de anesthesiemedewerker.

Algehele anesthesie of narcose

Onder narcose brengen
U wordt eerst op de bewakingsapparatuur aangesloten.

  • U krijgt plakkers op de borst om uw hartslag te meten.
  • U krijgt een klemmetje op uw vinger om het zuurstofgehalte in uw bloed te controleren.
  • Uw bloeddruk wordt via een band om de arm gemeten.

Vervolgens brengt de anesthesiemedewerker een slangetje in een bloedvat in uw arm (infuus). Via het slangetje spuit de anesthesioloog de medicijnen voor de algehele anesthesie in. Daarna slaapt u binnen een halve minuut. Het inspuiten van de medicijnen kan een branderig gevoel in de arm geven. Wanneer u slaapt wordt er via uw mond een buisje in de luchtpijp geplaatst om u tijdens de operatie te kunnen beademen. U merkt daar niets van. Bij enkele operaties is het ook nodig om een slangetje in de blaas of een slangetje via de neus in de maag te plaatsen. Dit gebeurt ook als de patiënt slaapt.

Controle tijdens de operatie
Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker voortdurend bij u. De anesthesioloog bewaakt en bestuurt tijdens de operatie de functies van uw lichaam. U krijgt medicijnen toegediend om de narcose te onderhouden.

Na de operatie
Na de operatie wordt u naar de uitslaapkamer gebracht. Gespecialiseerde verpleegkundigen daar letten erop dat u rustig bijkomt van de operatie. Op het moment dat u ontwaakt wordt het buisje uit uw keel verwijderd. Op de uitslaapkamer bent u ook aangesloten op bewakingsapparatuur. U kunt zich na de operatie moe en slaperig voelen, af en toe wegdommelen en rillen. Dat is heel normaal. Als de narcose uitwerkt kunt u pijn krijgen in het operatiegebied. Ook kunt u misselijk worden. U kunt de verpleegkundige vragen om een pijnstiller of een middel tegen de misselijkheid. Bent u voldoende wakker? En zijn alle controles, zoals uw hartslag en ademhaling goed? Dan gaat u terug naar de verpleegafdeling. Soms gaan patiënten enige tijd naar een speciale bewakingsafdeling. Door de aard van de operatie of hun conditie hebben zij langere intensieve zorg nodig. U gaat dan naar de Intensive Care. Meestal geeft uw behandelend specialist u hierover tevoren informatie.

Bijwerkingen
Terug op de verpleegafdeling kunt u zich nog wat slaperig voelen. Ook kunt u misselijk worden, braken en pijn krijgen. De verpleegkundigen weten precies welke medicijnen ze u kunnen geven om dit te onderdrukken. Vraagt u er gerust om. Een zwaar of kriebelig gevoel achterin uw keel komt door het buisje dat tijdens de operatie in uw keel zat. Dat gevoel verdwijnt vanzelf binnen een aantal dagen. Veel mensen hebben dorst na een operatie. Mag u meteen na de operatie weer drinken? Doe dan voorzichtig aan. Na sommige operaties mag u niet drinken. Dan kunt u uw lippen nat maken om het ergste dorstgevoel weg te nemen.

Bloedtransfusie
Bij een operatie kunt u veel bloed verliezen. Soms is het nodig om tijdens of na de operatie donorbloed te geven. De specialist die u opereert beslist of het nodig is om uw bloedgroep te bepalen en tevoren eventueel donorbloed klaar te maken. Bij Bureau Planning en Opname krijgt u de folder "Bloedtransfusie" mee. Daarin staat belangrijke informatie over de voorbereidingen voor een eventuele bloedtransfusie op de operatiekamer.

Complicaties bij algehele narcose
Narcose is tegenwoordig zeer veilig. Toch zijn complicaties niet altijd te voorkomen. Zo kunt u allergisch reageren op de medicijnen. Bij het inbrengen van het beademingsbuisje kan een slecht onderhouden gebit beschadigd raken. Ernstige complicaties komen erg zelden voor en zijn vooral afhankelijk van de conditie van de patiënt. Vraag uw anesthesioloog gerust of de narcose voor u bijzondere risico's met zich meebrengt.

Pijnbestrijding via een slangetje in de rug
Ondergaat u een grote operatie in de buik of borstholte? Dan krijgt u ook een slangetje in uw rug voor de pijnbestrijding. Door dit slangetje kunt u tot enkele dagen na de operatie medicijnen krijgen. Daardoor heeft u een goede pijnstilling in het operatiegebied. U kunt dan goed blijven doorademen en problemen met uw longen voorkomen. Uw benen kunnen wat gevoelloos zijn door de medicijnen die u via het slangetje krijgt. U moet wel uw benen kunnen bewegen na de operatie. Kunt u de benen niet bewegen? Dan moet u de verpleegkundige waarschuwen. Als u een slangetje in de rug krijgt, krijgt u ook een slangetje in de blaas.

Regionale anesthesie

Hoe werkt regionale anesthesie?
Bij een regionale anesthesie (verdoving) wordt een gedeelte van uw lichaam, bijvoorbeeld een arm, been of het gehele onderlichaam, tijdelijk gevoelloos en bewegingloos gemaakt. De verdoving schakelt de zenuwen die op pijn reageren volledig uit. Het is wel mogelijk dat u tijdens de operatie voelt dat u wordt aangeraakt. De zenuwen die de spieren laten werken worden met de verdoving ook tijdelijk uitgeschakeld. Daardoor kunt u de spieren niet meer bewegen. Tijdens de operatie blijft u wakker. Slaapt u liever? Dan kunt u om een slaapmiddel vragen. Ook kunt u tijdens de operatie naar muziek luisteren. U ziet niets van de operatie. Alles is met doeken afgedekt.

In de volgende twee hoofdstukken worden de twee meest voorkomende vormen van regionale anesthesie besproken:

  • De ruggenprik, verdoving van het onderlichaam.
  • De regionale verdoving van de arm of het been.

De ruggenprik

Toedienen van de ruggenprik
Eerst wordt u aan de bewakingsapparatuur aangesloten.

  • U krijgt plakkers op de borst om uw hartslag te meten.
  • U krijgt een klemmetje op uw vinger om het zuurstofgehalte in uw bloed te controleren.
  • Uw bloeddruk wordt via een band om de arm gemeten.

Vervolgens brengt de anesthesiemedewerker een slangetje in een bloedvat in uw arm (infuus) om zonodig wat extra vocht of medicijnen te kunnen geven. De anesthesioloog vraagt u te gaan zitten of op uw zij te gaan liggen. De huid van de rug wordt gereinigd en u krijgt een prik om de huid plaatselijk te verdoven. Dit brandt een beetje. Daarna krijgt u een injectie onder in de rug. Een ruggenprik is niet pijnlijker dan een gewone injectie. ls de verdoving ingespoten? Dan worden uw benen eerst warm en gaan tintelen. Vervolgens worden ze gevoelloos en uiteindelijk kunt u uw benen niet meer bewegen. Uw lichaam is onder de ribbenboog of navel dan volledig verdoofd.

Pijnbestrijding via een slangetje in de rug
Ondergaat u een grote operatie in de buik of borstholte? Dan wordt er tijdens de ruggenprik een dun slangetje in de rug achtergelaten. Deze techniek vindt vaak plaats in combinatie met een algehele narcose. Door dit slangetje kunt tot enkele dagen na de operatie medicijnen krijgen. Daardoor heeft u een goede pijnstilling in het operatiegebied. U kunt dan goed blijven doorademen. Zo kunnen problemen met de longen vaak worden voorkomen. Ook kunnen uw benen wat gevoelloos zijn door de medicijnen die u via het slangetje krijgt. U moet wel uw benen kunnen bewegen na de operatie. Kunt u de benen niet bewegen na de operatie? Dan moet u de verpleegkundige waarschuwen. Er wordt ook altijd een slangetje in de blaas ingebracht als u een slangetje in de rug krijgt.

Controle tijdens de operatie
Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker bij u.

Onvoldoende pijnstilling
Voordat u naar de operatiekamer gaat wordt gecontroleerd of de verdoving volledig werkt. Zo mogelijk geeft de anesthesioloog of de specialist die u opereert extra verdoving. Soms werkt de verdoving niet. Dan geeft de anesthesioloog u alsnog algehele narcose. Om gevaar voor uw gezondheid te voorkomen moet u daarom ook bij een ruggenprik nuchter blijven.

Lage bloeddruk
Als bijwerking van een ruggenprik kunt u een lage bloeddruk krijgen. Voelt u zich tijdens de operatie draaierig of duizelig? Vertel dit dan aan de anesthesioloog of zijn assistent. Deze kan dan maatregelen nemen.

Hoge uitbreiding
Soms breidt de verdoving zich boven de ribbenboog uit. Hierdoor krijgt u het gevoel dat u moeilijker kunt ademen. Ook uw handen kunnen gaan tintelen. Dit kan vervelend zijn. U hoeft zich daarover niet ongerust te maken. De anesthesioloog geeft u eventueel extra zuurstof. Als de verdoving uitwerkt verdwijnt dit gevoel vanzelf.

Na de operatie
Na de operatie wordt u naar de uitslaapkamer gebracht. Gespecialiseerde verpleegkundigen zien erop toe dat u rustig bijkomt van de operatie. Ook op de uitslaapkamer bent u aangesloten op bewakingsapparatuur. De verdoving werkt langzaam uit. U merkt dat doordat het verdoofde lichaamsdeel gaat tintelen. De beweging komt het eerste terug. Het gevoel het laatst. Zijn alle controles goed? Dan gaat u terug naar de verpleegafdeling.

Het duurt twee tot zes uur tot de verdoving helemaal is uitgewerkt. Als de verdoving uitwerkt kunt u pijn krijgen in het operatiegebied. Vraag de verpleegkundige dan om een pijnstiller. Wacht hier niet te lang mee. U kunt ook misselijk worden. Vraag dan gerust om een middel daartegen.

Complicaties bij een ruggenprik
Tegenwoordig is verdoving zeer veilig. Toch zijn complicaties niet altijd te voorkomen:

  • Rugpijn
    Soms ontstaat er rugpijn op de plaats van de prik. De rugpijn ontstaat meestal door het ongemakkelijk liggen op de operatietafel. De pijn verdwijnt binnen enkele dagen. Zonodig kunt u pijnstillers (zoals Paracetamol, Brufen of Voltaren) gebruiken.
  • Hoofdpijn
    Na een ruggenprik kunt u hoofdpijn krijgen. Deze hoofdpijn is anders dan 'gewone' hoofdpijn. De pijn vermindert als u ligt en verergert juist als u overeind komt. Meestal verdwijnt deze hoofdpijn binnen een week. Het beste is om voldoende te blijven drinken. Zijn de klachten zo hevig dat u in bed moet blijven? Neem dan contact op met de anesthesioloog.
  • Moeilijkheden met plassen
    Bij een ruggenprik worden de spieren van de blaas tijdelijk verdoofd. U kunt daarom niet plassen zolang de verdoving nog werkt. U produceert echter wel urine waardoor de blaas zich vult. Totdat de verdoving goed is uitgewerkt wordt regelmatig met geluidsgolven (echografie) gecontroleerd hoe vol uw blaas is. Een volle blaas wordt met behulp van een slangetje geleegd. Dit gebeurt bij ongeveer 25% van de patiënten.

Regionale anesthesie van een arm of been

Een arm of been kan worden verdoofd door de zenuwbanen die er naar toe lopen tijdelijk uit te schakelen met een verdovingsmiddel.

Eerst wordt u aangesloten op de bewakingsapparatuur:

  • U krijgt plakkers op de borst om uw hartslag te meten.
  • U krijgt een klemmetje op uw vinger om het zuurstofgehalte in uw bloed te controleren.
  • Uw bloeddruk wordt via een band om de arm gemeten.

Vervolgens brengt de anesthesiemedewerker een slangetje in een bloedvat in uw arm (infuus) om zonodig wat extra vocht of medicijnen te kunnen toedienen.

Waar u de verdovingsprik krijgt hangt af van de plaats waar u wordt geopereerd. Een arm wordt verdoofd door middel van een "prik" in de oksel of onder het sleutelbeen. Een schouder wordt verdoofd door middel van een "prik" achter in de nek of voor in de hals. Een been wordt verdoofd door middel van een "prik" in de lies, de bil of in de knieholte.

De huid wordt eerst ontsmet. De anesthesioloog prikt vervolgens met een speciale naald op de plaats waar de zenuwen lopen. Om te kunnen beoordelen of de naald dicht genoeg bij de juiste zenuw is, gebruikt hij een zogenaamde zenuwprikkelaar. De anesthesioloog prikkelt met een klein stroompje de zenuw. U merkt dat doordat de arm of de hand vanzelf gaat bewegen. Dit is niet pijnlijk maar is een vreemd gevoel. Het is belangrijk dat u tijdens het prikken stil blijft liggen. Staat de naald op de goede positie? Dan spuit de anesthesioloog het verdovende middel in.

Tegelijkertijd bepaalt de anesthesioloog met behulp van geluidsgolven (echografie) de plaats waar de zenuwen zitten. Hierdoor kan hij de zenuw nog nauwkeuriger en veiliger verdoven. De verdoving moet vijftien tot dertig minuten inwerken. Op een gegeven moment merkt u dat de arm of hand gaat tintelen en warm wordt. Vervolgens wordt de arm gevoelloos en meestal kunt u de arm en de hand dan niet meer bewegen. Tijdens de operatie heeft u geen pijn. Wel kunt u het aanraken van de huid nog voelen.

Onvoldoende pijnstilling
Het kan voorkomen dat de verdoving bij u niet voldoende werkt. Dit wordt gecontroleerd voordat u naar de operatiekamer gaat. Indien mogelijk geeft de anesthesioloog of de specialist die u opereert extra verdoving. Soms werkt de verdoving niet. Dan geeft de anesthesioloog u alsnog algehele anesthesie. Om gevaar voor uw gezondheid te voorkomen moet u daarom ook bij een regionale verdoving nuchter blijven.

Controle tijdens de operatie
Tijdens de operatie blijft u wakker. Slaapt u liever? Dan kunt u om een slaapmiddel vragen. Ook kunt u tijdens de operatie naar muziek luisteren. Overigens ziet u niets van de operatie. Alles is met doeken afgedekt.

Na de operatie
Na de operatie wordt u naar de uitslaapkamer gebracht. Dat is een aparte ruimte vlakbij de operatiekamer. Gespecialiseerde verpleegkundigen letten erop dat u rustig bijkomt van de operatie. Hier bent u ook aangesloten op de bewakingsapparatuur. De verdoving werkt langzaam uit. U merkt dat doordat het verdoofde lichaamsdeel gaat tintelen. De beweging komt het eerste terug. Het gevoel het laatst. In het algemeen hoeft u niet lang op de uitslaapkamer te blijven en gaat u snel terug naar de verpleegafdeling. Het duurt drie tot acht uur voordat de verdoving helemaal is uitgewerkt. Als de verdoving uitwerkt kunt u pijn krijgen in het operatiegebied. Vraag de verpleegkundige om een pijnstiller. Wacht hier niet te lang mee. Na een regionale anesthesie van een arm of been hoeft u niet in het ziekenhuis te blijven totdat de verdoving helemaal is uitgewerkt. Zolang de arm nog verdoofd is kunt u een mitella gebruiken. Zolang het been nog verdoofd is kunt u krukken gebruiken. Let goed op dat u het been nergens tegenaan stoot.

Complicaties bij regionale anesthesie
Tegenwoordig is anesthesie zeer veilig. Toch zijn complicaties niet altijd te voorkomen:

Toxische reacties
De zenuwen die verdoofd moeten worden lopen vlakbij grote bloedvaten. Verdovend medicijn kan daardoor direct in de bloedbaan komen. Dan kunt u last krijgen van een metaalachtige smaak, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel, hartritmestoornissen, trekkingen en uiteindelijk bewusteloosheid. Bij directe behandeling zijn deze verschijnselen niet levensbedreigend en goed te behandelen. Deze complicatie komt overigens zelden voor.

Tintelingen na de operatie
Nadat de verdoving is uitgewerkt, kunt u nog enige tijd last houden van tintelingen in uw arm of been. Een irritatie van de zenuwen, door de prik of door de gebruikte medicijnen, kan hiervan de oorzaak zijn. Ook kunnen er tintelingen ontstaan doordat er vlakbij een zenuw is geoperereerd. De tintelingen verdwijnen meestal in de loop van weken tot maanden vanzelf.

Overgevoeligheidsreacties
Overgevoeligheid voor de gebruikte verdovingsmiddelen komt soms voor. U kunt dan last hebben van benauwdheid, huiduitslag en/of een lage bloeddruk. Behandeling is goed mogelijk.

Klaplong
Bij een injectie rond het sleutelbeen kan het longvlies worden aangeprikt. Daardoor kan een zogenaamde klaplong ontstaan. Dit uit zich in plotselinge benauwdheid. Een klaplong moet worden behandeld in het ziekenhuis. Met een slangetje wordt dan gedurende een aantal dagen lucht uit de borstholte gezogen. Deze complicatie komt zelden voor.

Pijnbestrijding na de operatie

Wanneer de algehele of regionale anesthesie is uitgewerkt kunt u pijn krijgen. De anesthesioloog past de pijnbestrijding aan uw situatie aan om de pijn voor u zo gering mogelijk te houden. Bijna alle patiënten krijgen Paracetamol en/of Diclofenac na de operatie. Daarnaast passen de anesthesiologen de volgende manieren van pijnbestrijding vaak toe:

  • De specialist die u opereert spuit het operatiegebied in met een verdovingsvloeistof.
  • U krijgt een sterke pijnstiller (opiaat) in de vorm van een drankje, tablet of "prik" in uw been.
  • Er wordt een PCA-pomp met een pijnstiller aangesloten op het infuus. Dit is een computergestuurde pomp waarmee u zelf kunt bepalen wanneer u de pijnstiller krijgt. U hoeft niet bang te zijn dat u te veel gebruikt. De anesthesioloog heeft een maximum aan pijnstilling afgesproken.
  • Er wordt tijdens een ruggenprik een dun slangetje in de rug achtergelaten. Door dit slangetje kunnen tot enkele dagen na de operatie medicijnen worden gegeven. Daardoor heeft u goede pijnstilling in het gebied waar u bent geopereerd.

Om u optimale pijnbestrijding te kunnen geven nemen de verpleegkundigen een pijnscore af. Dit is een getal tussen de nul en tien. Nul is geen pijn. Tien is de meest verschrikkelijke pijn die u zich kunt voorstellen. Aan de hand van deze pijnscore is het mogelijk te bepalen hoeveel pijnstilling u nodig heeft en of de pijnstilling die u krijgt voldoende is.

In het ziekenhuis werken verpleegkundigen die gespecialiseerd zijn in het bestrijden van pijn. Heeft u een PCA-pomp of een slangetje in de rug? Dan komt de pijnverpleegkundige regelmatig langs om te controleren of u voldoende pijnstilling krijgt.

Overig

Naar huis
Mag u op de dag van de operatie alweer naar huis? Zorg er dan voor dat een volwassene u begeleidt en dat u de eerste 24 uur niet alleen thuis bent. Regel vervoer per taxi of eigen auto. Rijd niet zelf. Ook in verband met uw autoverzekering. Veel verzekeringen hebben voorwaarden in hun polis opgenomen over het niet zelf rijden kort na een operatie.

Verder geldt voor de eerste 24 uur:

  • Doe het rustig aan.
  • Bestuur geen machines, let op uw reactievermogen.
  • Neem geen belangrijke beslissingen.
  • Eet en drink licht verteerbare voedingsmiddelen.
  • Bij een dagopname is het handig tevoren al pijnstillers in huis te halen voor de eerste dagen na de operatie (bijvoorbeeld Paracetamol). Gebruik geen Aspirine als pijnstiller. Aspirine vergroot de kans op een nabloeding.

Herstel
De operatie, en voor een klein deel de narcose, verminderen uw weerstand. Sommige mensen hebben daardoor enige tijd last van:

  • Concentratiestoornissen.
  • Vermoeidheid.
  • Een grotere gevoeligheid voor griep en verkoudheid.

Het is heel normaal dat u zich na de operatie een poos minder fit voelt. Het lichaam herstelt zich in zijn eigen tempo. Dat heeft tijd nodig. Deze klachten verdwijnen vanzelf. Dit kan wel enkele maanden duren. De narcosemiddelen zijn al na een paar dagen volledig uit uw lichaam verdwenen.

Vragen?

Heeft u nog vragen? Stel ze gerust aan de anesthesioloog of aan de verpleegkundige op de afdeling. De afdeling POS en Anesthesiologie zijn op werkdagen te bereiken van 08.30 uur - 12.00 uur op tel. (0165) 58 81 16.

De anesthesiologen wensen u een voorspoedig herstel.

Ook via de website van het Franciscus Ziekenhuis kunt u ons bereiken: www.franciscusziekenhuis.nl.

versie: 06/10
Home » Specialismen en afdelingen » Anesthesiologie en pijnbehandeling » Anesthesiologie